Skip to main content
 

Ontroerende en rake brief van Mounir aan de artsen

e brief die ik vandaag aan alle artsen die we steunen gestuurd heb:

Lieve broeders en zusters, de vrede van God zij met jullie, en al zijn ontferming en troost.

Ik schrijf jullie allen, dappere artsen van Gaza, helden voor toekomstige geschiedschrijvers, in liefde en diepe verbondenheid als een kind van God, die in jullie de mooiste van Zijn schepselen ziet. Woorden schieten tekort om de liefde en waardering die ik voor jullie voel, tot uiting te brengen. Jullie belichamen werkelijk de betekenis van humaniteit, juist daar waar die jullie en het Palestijnse volk al zo lang en structureel is ontnomen.

Wat een onwerkelijk idee dat ik jullie een week geleden nog niet kende, nog nooit van jullie namen gehoord had. Nu bid ik meerdere keren per dag voor jullie, en ga ik alle namen langs alsof we oude vrienden zijn – familieleden, broers en zussen. In mijn hoofd praat ik met jullie. Zitten we op een terras. Lachen we als gewone mensen in een gewone wereld in een gewone tijd. Eten we. Kijken we naar spelende kinderen. Roken we een shisha (daar houd ik erg van). En zijn we mens – allemaal gewoon mens – die leeft, lacht, breekt, rouwt, droomt, valt en weer opstaat.

Ik zie die mens nog steeds in jullie, en ik ontmoet hem op zoveel manieren: in de poëzie van jullie taal, in de zorg om mijn gezondheid, in de lichtvonkjes als we samen verder blijken te komen en iets moois in handen hebben – iets unieks, dat door jullie prachtig wordt omarmd en eigengemaakt. Dit is jullie project. Jullie rechtmatige beloning en salaris. Niets meer, en niets minder dan dat.

Al het gewone is jullie afgenomen. Al zo lang. Al ver vóór 7 oktober, en met almaar gruwelijker geweld daarna. Ik weet dat jullie ons de waarheid niet vertellen. Dat jullie de werkelijke realiteit niet met ons delen. De waardigheid die jullie aan jullie patiënten geven, reikt voorbij hun dood.

Maar ik weet dat jullie misselijk moeten zijn van de weeïge geur van bloed, de stank van ongewassen lichamen, angstzweet, en ook van rotting. De smaak van honger, altijd en overal, die je overal achtervolgt. Dorst, zo hevig, dat geen oceaan die kan stillen. Noch kan zij al jullie tranen bevatten – tranen die luid of in volstrekte stilte vloeien, totdat er simpelweg geen tranen meer over zijn. Het lichaam heeft dan niet eens meer genoeg vocht om nog te kunnen huilen.

Ik weet dat jullie ons dit alles niet vertellen. Dat jullie het netjes houden, schoon, zo positief mogelijk, zo dankbaar als maar kan voor de kruimels die jullie toegeworpen krijgen. Want dat zijn het: kruimels. En wij, die dit gruwelijke spektakel van sadistische marteling en vernedering zien – alles, werkelijk alles, om het Palestijnse volk te breken – werpen jullie die toe. Uit schaamte, uit afschuw, uit woede, om onszelf goed te voelen… Maar we zien jullie nog steeds niet volledig. We zullen nooit begrijpen wat jullie meemaken, en hoe het mogelijk is dat de hele wereld toekijkt en niets doet. Dat niet alleen het internationaal recht, maar ook de humanitaire hulp jullie zo heeft gefaald.

Het spijt me dat ik een paar dagen stil was. Op zaterdagavond heeft God mij in een visioen meegenomen naar Gaza en mij midden tussen jullie gezet – aan de operatietafels, in de veldhospitalen, op de spoedeisende hulp. Hij liet me naast jullie staan en alles zien, alles voelen, alles ruiken, alles waarnemen. Sindsdien ben ik stil. Doodstil. En uitgeput. Het is alsof al jullie moeheid, al het leed, de woede, strijdlust en machteloosheid in mijn geest en lichaam stroomden. Verlamd lag ik op bed, en zag wat geen mens zou moeten zien. En ook ik heb er geen woorden voor.

Behalve dan, dat God mij naar jullie heeft gestuurd om jullie te laten weten dat Hij jullie niet vergeten is. Dat Zijn liefde eeuwig is en trouw – hoe onbegrijpelijk ook. Dat Hij jullie gebeden en fluisteringen heeft gehoord en Zijn Heilige Oor naar jullie heeft toegekeerd. Dat Hij in Zijn almacht heeft besloten mij naast jullie te zetten, tussen jullie in. En dat geen grenzen, geen muren, geen drones, geen leger ons kunnen scheiden in dit diepe weten, dit waarlijk kennen. Ook al zit ik hier ver weg, in Zuid-Amerika, in een andere tijdzone, een andere wereld, een andere cultuur, een totaal ander continent.

Voor alles wat jullie de afgelopen twee jaar hebben gezien en meegemaakt, bied ik jullie mijn nederige verontschuldiging aan. We hebben jullie zo tekortgedaan. Wij – de wereld – met onze grote woorden over mensenrechten en internationaal recht. God zal het bloed van de kinderen van Gaza van ons eisen, en ons een hoge prijs laten betalen. Maar ondertussen slapen wij, terwijl jullie waken. Terwijl jullie, temidden van een eindeloze stroom aan patiënten, wankelen en toch weer doorgaan. Ik kus jullie vermoeide handen en was jullie pijnlijke voeten. Al wankel ik, al bezwijk ik soms onder de verantwoordelijkheid en druk – ik zal jullie niet verlaten. Jullie hebben mijn vriendschap en mijn trouw. Als mijn leven er alleen maar is om jullie te helpen, dan is dat genoeg voor mij.

Ondertussen hebben steeds meer mensen zich bij het project aangesloten, en is een klein groepje bezig een officiële stichting op te zetten. Zelfs een notaris heeft zijn hulp aangeboden. Zo proberen we het project zo snel mogelijk te professionaliseren en de geldstroom te waarborgen. Mijn rechterhand, Tjitske Visser – die ik voor dit project helemaal niet kende – is hierin een onuitputtelijke steun. Misschien ben ik een brug, met de woorden om mensen te overtuigen om te doneren. Maar zij is de organisatorische kracht die de financiële en praktische zaken aanstuurt en draagt. Zonder haar had ik dit nooit kunnen opzetten, of de groep artsen kunnen uitbreiden.

Vandaag zullen opnieuw twee nieuwe artsen aan de groep worden toegevoegd. Zo hoop ik de groep langzaam uit te breiden, zonder de continuïteit in gevaar te brengen. De bank werkte tegen, en een paar dagen konden we geen donaties ontvangen. Vanaf vanavond kunnen mensen weer doneren. En met Gods hulp kunnen we dit project nu in rust en zonder verdere belemmeringen voortzetten. Er moet nog heel veel gebeuren, en er zijn nog veel drempels. Dus bid alsjeblieft voor de bescherming van dit project – tegen aanvallen van buitenaf of van binnenuit – zodat wij jullie kunnen steunen en bijstaan, daar waar jullie de laatste reddingsboei zijn voor jullie prachtige volk, dat temidden van de grootste storm in haar geschiedenis is beland.

Wat de vijand ook probeert, en welke overwinningen zij ook boekt – uiteindelijk zal ze niet in haar opzet slagen. Ik weet niet hoe lang het zal duren, of welke enorme prijs er nog betaald moet worden. Maar Palestina zal op een dag vrij zijn. Tegen die tijd hebben we jullie hard nodig: leiders van de toekomst. Woede, haat en geweld hebben het Palestijnse volk al te lang getergd en uit elkaar gedreven. Wees één. Heel de wond van dat gekwetste en gebroken hart. Laat het kloppen voor recht, voor liefde. Zie de mens voorbij het monster – hoe moeilijk dat ook is. In jullie leeft de Geest van God. Ze ademt in jullie. Ze schept nieuw leven te midden van de dood. Sta dan op en weet: zoals de Bijbel zo mooi zegt: “We slapen huilend in, maar staan juichend op in de ochtend.”

Deze nacht is lang, het duister hemeltergend, het geweld allesvernietigend. Maar de ochtend zal komen. Geef niet op. Bezwijk niet. Blijf elkaar steunen en overeind houden, want de nacht is altijd het donkerst vlak voordat de zon opkomt.

Jullie zijn geliefd. Door God. Door mij. En door al die Nederlanders die zich zo onvoorwaardelijk bij dit project hebben aangesloten. Voor alles wat jullie doen en ons geven, danken wij jullie uit de grond van ons hart.

In liefde en broederschap, Mounir en Artsen in Gaza in Nood